De onzakelijke lening / het onzakelijke debiteurenrisico (ODR)


Deel dit artikel

Als een holdingmaatschappij een lening verstrekt aan haar dochtermaatschappij kan de positie van aandeelhouder niet genegeerd worden. Meestal zijn de leningsvoorwaarden iets gunstiger dan als de lening aan een willekeurige derde zou worden verstrekt. Hier komt dan gelijk het grijze gebied tussen een geldlening en een kapitaalstorting om de hoek kijken.

Civielrechtelijk zijn er drie kernelementen bij een geldlening, te weten rente, aflossing en zekerheid. Als deze elementen zakelijk zijn ingevuld is er civielrechtelijk sprake van een geldlening. Echter kan hier fiscaal van afgeweken worden als de geldlening onder dusdanige voorwaarden is aangegaan dat eigenlijk sprake is van een informele kapitaalstorting. Gevolgen: rente niet aftrekbaar bij de schuldenaar en afwaarderingverlies kan niet ten laste van het resultaat worden gebracht.

De Hoge Raad heeft hier een derde categorie geldleningen aan toegevoegd: de onzakelijke lening. Een echte geldlening maar waarbij een afwaardering van de vordering niet ten laste van het resultaat kan worden gebracht vanwege een onzakelijk debiteurenrisico (ODR) dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard. Met name wordt hier gekeken naar het vaststellen van de rente.

De afwaardering van een onzakelijke lening kan niet ten laste van het resultaat worden gebracht. Wel zal deze afwaardering leiden tot een hogere verkrijgingsprijs van de aandelen. Bij liquidatie van de schuldenaar komt dit verlies pas tot uitdrukking.

Bij het aangaan van een dergelijke geldlening dient derhalve goed gekeken te worden naar het vaststellen van de rente.

Bovenstaande geld ook voor geldleningen vertrekt door een directeur-grootaandeelhouder aan zijn B.V., dus geen afwaardering in box 1, maar een verhoging van de verkrijgingsprijs in box 2.

Oscar Meijrink

Geef een reactie